Het Groot Kerstverhaal

Het Groot Kerstverhaal werd voorgelezen op 23 december 1984 en werd geschreven in opdracht van Cobi Koning, Peter Konter, Evelien de Bruin, Huub Laurens, Marijke Swarthof, Roelf van Til en Ellen Sandberg. Zonder hen was dit verhaal nooit geschreven. In 1985 verscheen het verhaal in een privé-uitgave, ontworpen en van prachtige illustraties voorzien door Huub Laurens. Deze illustraties zijn hier bijgevoegd. Het verhaal is mij altijd dierbaar gebleven en het is mij een groot genoegen om dit Groot Kerstverhaal precies 29 jaar later op deze site aan te kunnen bieden.

Nog maar nauwHet Groot Kerstverhaal, Willem Vreeswijkelijks was de morgen aangebroken of Eric liep al door de stad. Het regende onophoudelijk uit de asgrauwe lucht. Er stond geen zuchtje wind. Zo nu en dan stond Eric stil om met zijn kaplaar­zen in een plas te stampen. Niemand was op straat. Af en toe krijste een meeuw.

Aan de waterkant zat iemand te vissen. Een man in een geel regenpak. Eric ging naast hem staan en vroeg of ze wilde bijten.

‘Nee,’ zei de man zonder op te kijken. ‘Voor de meeste mensen is het vandaag een rustdag. Niemand die ze voedsel geeft. Dat weten ze heus wel. Daarom blijven ze ook maar thuis. Waarom ben jij eigenlijk zo vroeg uit de veren?’

‘Ik, uh,’ zei Eric. ‘Zomaar.’

‘Moet je dan niet onder een kerstboom zitten, cadeau­tjes uitpakken, liederen zingen met het hele gezin?’

‘Ik, uh. Ze slapen nog. Allebei.’

‘Zo, slapen ze nog. Zijn ze dan niet bezorgd? Het is stil op straat. Dat wil niet zeggen dat er niemand is. Juist enge en vieze kerels zoeken naar eenzaam rondlo­pende kindjes, zoals jij, die zomaar, heel alleen buiten zijn.’

De man draaide zijn hoofd naar Eric toe. Hij had een witte baard en een grote neus waarop hij een zwarte bril droeg. Zijn ogen leken te groot in verhouding tot zijn oude gerimpelde hoofd. De man fronste zijn wenk­brau­wen. Eric moest blijkbaar een antwoord geven.

‘Bent u zo’n enge man?’

‘Nee hoor. Ik ben altijd erg lief. Dat moet. Dat hoort nu eenmaal bij mijn beroep. Maar soms zou ik wel eens eng willen zijn. Maar dat mag niet, hè.’

‘Waarom niet?’

‘Omdat het niet mag. Niemand zou me meer herkennen. Dat zou me een toestand worden. Ik heb al genoeg aan m’n hoofd. Maar ja, het vissen maakt me rustig.’

‘Mijn oom is ook visser, maar die is helemaal niet aardig. Hij slaat zijn kinderen, zegt mijn moeder. Waarom vist u?’

Eric kreeg het nu wel wat koud en bovendien was hij kletsnat geworden. Als hij met zijn voeten trappelde hoorde hij een soppend geluid. De man zweeg en tuurde naar zijn dobber.

‘Maar het regent zo,’ vervolgde Eric. ‘Dan kun je toch beter binnen zitten. Gezellig een kop warme chocolade bij de centrale verwarming en verhaal­tjes voorlezen.’

‘Ik heb helemaal niemand meer op deze wereld,’ zei de visser met een droevige stem. Niemand om aan voor te lezen. Mijn zoon is jaren geleden door een noodlottig ongeval om het leven geko­men.’

De man keek nu heel treurig. Net of hij een vreselijk geheim met zich meedroeg. Een verschrikkelijk geheim dat hij nog nooit aan iemand had verteld. Zijn grote ogen werden vochtig. Even streek hij met de hand door Erics haar. Toen wendde hij zijn blik af.

Eric vroeg zich af wat hij nu moest zeggen.

‘Beet!,’ riep hij uit.

De man haalde langzaam zijn hengel op en wees glimla­chend naar het haakje.

‘Er zit helemaal geen aas aan. Zie je. Ik doe helemaal geen aas aan het haakje. Ik vis om het vissen. Niet om het vangen.’

Eric wist niet of hij moest lachen dan wel bedroefd zwijgen. Hij keek naar de neervallende regendruppels in het water.

‘Weet u,’ zei hij zacht. ‘Ik word nou nooit eens voorgelezen. Mijn ouders liggen de hele dag op bed. En ik moet stil zijn. En dan loop ik maar over straat. Als ik ze wakker maak, krijg ik op m’n kop. Overal krijg ik de schuld van. Mijn ouders vinden voorlezen stom.’

De visser leek in gepeins verzonken. Toen keek hij op zijn zilveren polshorloge en zei:

‘Ik wil jou wel eens een verhaal vertellen. Ik heb een boek vol spannende avonturen, waar mijn zoon vroeger gek op was. Ik woon hier vlak om de hoek.’

Eric twijfelde. Ga nooit met vreemde mannen mee! Dat hadden z’n ouders hem goed ingeprent.

‘Wees niet bang. Ik maak de beste chocolademelk. En ‘t is warm en droog bij mij.’

De man schoof zijn hengel in en nam zijn klapstoeltje onder zijn arm. Voor alle ramen waren de gordijnen nog dichtgescho­ven. De meeuwen cirkelden in het rond. Ze kwamen voorbij een huis waar natte bladeren, die al half verrot waren, bijna tot aan het venster lagen opgehoopt.

‘Jakkes,’ zei Eric.

‘Tja. Dat zijn hele vieze mensen. Daar moet je nooit mee omgaan. Properheid voor alles!’

Eric beloofde het en even later waren ze bij het huis van de man. Ze liepen door een kleine hal. Boven de deur hing een tekst: ‘Neem je tijd te baat, te vroeg is beter dan te laat.’ Eric vroeg wat het beteken­de.

‘Een oudhollands gezegde. Mijn grootvader zei dit altijd als hij zich een borrel inschonk.’

In de woonkamer lag een matras op de grond. Omgedraaide houten kisten deden dienst als stoelen. Twee aaneenge­schoven kisten vormden de tafel.

‘Let maar niet op mijn armoede. Als je maar een gezonde geest hebt, zeg ik altijd. Trek je jas maar uit. Dan kun je wat opdro­gen. Schuif maar een kist bij de kachel, dan maak ik de chocola.’

Langzaam voelde Eric zich wat warmer worden. Stilletjes keek hij de vreemde kamer rond. Een kale ruimte. Er hing een verkleurde foto aan de muur. Een jongen in een matrozenpakje wuifde naar de fotograaf. Hij stond naast een opblaasbadje. In de kamer hing slechts een lamp, die de ruimte schaars verlicht­te. Eric trok zijn kaplaarzen uit. Zijn sokken maakten natte plekken op het zeil.

EindelijkHet Groot Kerstverhaal, Willem Vreeswijk, tekening 2, Huub Laur kwam de man terug. Pas nu deed hij zijn jas uit. Vanon­der de gele kleding kwam een rode jurk tevoorschijn. Eric zei er niets van, maar hij vond het wel raar. Hij schoof een kistje naast dat van Eric en warmde zijn handen. De chocol­ademelk dampte naast hun kisten.

‘Hoe heet u eigenlijk?’

‘Ik heb geen naam.’ Even keek de man peinzend voor zich uit en zei toen: ‘Noem me maar Klaas. Heb je het nog koud?’

Eric had het niet koud meer.

‘U bent wel erg arm, niet?’

‘Ja. Dat komt omdat ik alles weggeef. Vooral aan arme kinderen die zo lekker zielig doen bij zo’n boom. Dan word ik helemaal blij vanbinnen. Als jij het verhaal mooi vindt dat ik je ga voorlezen, dan mag je het hele boek houden. Het is ten slotte feest. Je wilt toch nog wel dat ik je voorlees?’

Ja, dat wilde Eric nog altijd wel.

Klaas sprong op en gooide een kist omver. Daaronder lagen enige boekjes met blote meiden op de voorkant. Snel zette Klaas de kist weer op zijn plaats. Hij vloekte binnensmonds en werd rood in het gezicht. Eric deed of hij niets had gezien. De volgende kist was wel de goede. Uit de stapel boeken pakte hij er een en kwam naast Eric zitten. Eric las de titel. Er stond in rode letters geschreven: ‘Het Groot Jongens Verhalen­boek.’

‘Mijn lievelingsboek,’ zei Klaas. Ik zal ‘André en De Voorspoed’ voorlezen, geschreven ter herinnering aan mijn enige zoon. Ga er maar eens lekker voor zitten. Als je wilt mag je met je hoofd tegen mijn schouder leunen. Ik heb geen kussens, zie je. Zal ik maar beginnen?’

Eric knikte.

André en de Voorspoed

André schoof de gereedschapkist tot bij het kelderraam. Toen hij er op stond kon hij het raampje openen, zich vastgrijpen aan het kozijn en zichzelf optrekken. Even stootte hij zijn knie tegen de stenen muur en voelde een schrijnende pijn. Hij klemde zijn kiezen op elkaar. De pijn verminderde en hij slingerde zijn beide benen naar buiten. Het was koud en het regende zachtjes. In de verte wees een kerkklok tien voor tien. Vlug rende hij van het ouderlijk huis vandaan. Nooit zou hij meer terugkeren! Zijn vader sloeg hem al als hij in zijn neus peuterde. En als zijn vader echt boos was, sloot hij hem op in de kelder. Een vochtige ruimte waar zijn vader in de zomer af en toe stoelen en tafels in elkaar timmerde. Nu was het een druilerige winter.

Het Groot Kerstverhaal, Willem Vreeswijk, tekening 3, Huub LaurZijn vader had een fotoboek in zijn kamer gevonden. Er stonden vrouwen in die heel hun naaktheid toonden. André keek soms wel drie keer per nacht in het boek. Hij verstopte het in zijn boeken­kast, achter enige Commissaris-Achter­bergdeeltjes. Zijn vader had het boek echter op zijn houten bureau gevonden. Zijn moeder had natuurlijk al zijn boeken een voor een afgestoft. Waarom had ze niet gezwegen? Waarom had ze hem niet in bescherming genomen? Of had zijn broertje Elmer deze streek uitgehaald? Die wist dat André dan de kelder in moest. En zo was er altijd wel iemand kwaad op hem. Hij deed erg zijn best op school, maar behaalde toch slechte cijfers. Zijn vrienden zeiden dat ze nooit huiswerk maakten, maar haalden altijd een voldoende. Behalve Johan. ‘Arbeide ken ook zonder Franse gremati­ca,’ zei hij altijd. Maar André mocht geen arbeider worden van zijn ouders. Dan haalde Johan zijn neus op en sjokte weg.

Het was te laat nog bij vrienden langs te gaan. En bovendien, wat zou hij moeten zeggen? Dat hij voortaan het broertje wilde worden van Kareltje? Maar die woonde te ver weg. Helemaal in Spanbroek, Noord Holland. Hij had wel een tante in de stad, tante Becky. Zij was heel aardig, maar het bleef familie. En dat was, als het er op aan kwam, één pot nat.

André was nu in de Nooteboomstraat, al behoorlijk ver van huis. Als hij rechtdoor liep kwam hij in de haven­buurt. Een onguur stadsge­deelte. Daar zaten vrouwen achter ruiten.

Hij hoorde zware voetstappen naderen. Een grote man in nauwslui­tende regenjas kwam recht op hem af. André voelde zich betrapt in zijn natte wollen trui. Als die man nou maar doorliep. Snel dook hij een portiek in.

‘Zo, ook aan de wandel?’

‘Nou, nee meneer. Ik, uh, ik moet sigaretten halen.’

Het licht van de lantaarnpaal gaf een vreemde glans aan het vierkante gezicht van de man. Hij had enorme bakkebaarden en een grote kin. Zijn ogen waren nauwe­lijks te zien, zo diep lagen zij in hun kassen. Hij droeg een zwart glimmend jack, dat wel van plastic leek. Hij grijnsde.

‘Waar wou jij hier sigaretten halen? En dat zonder jas!’

De man blokkeerde de ingang van het portiek. Een gevoel van angst en verlatenheid kwam over André. En toch was dit zijn verdiende loon! Had hij maar niet weg moeten lopen! De man zou hem vast en zeker dood­slaan, in stukken snijden en verko­pen aan een hande­laar die hem voor weinig geld aan mensen­eters zou overhandigen.

‘Maar jongen, ben je je stem kwijt? Voor mij hoef je niet bang te zijn, hoor. Je trilt als een juffertje. Zullen we samen een cola drinken?’

De warme stem maakte André rustig.

‘Je moet je wat drogen,’ zei de man. ‘Anders word je ziek en daar heeft niemand wat aan.’

Hij legde zijn grote hand op de schouder van André en duwde hem voorzichtig het portiek uit.

‘Mijn naam is Sjors. Kapitein van een groot schip. Morgen gaan we naar Rio. Weet je waar dat ligt? Hele­maal aan de andere kant van de horizon. Hoe heet je eigenlijk?’

‘André meneer, en ik ben al zestien.’

In werkelijkheid was André pas dertien jaar oud. Eén keer was hij in een film van boven de achttien gekomen. Daar was hij trots op, ook al had hij niets van de film begrepen. André rook nu zijn kans. Hij haalde diep adem en zei:

‘Ik heb er altijd al van gedroomd om te varen. Hebt u niet iemand nodig? Ik bedoel, ik ben heel sterk en zo.’

‘Zo zo,’ mompelde de man. Dat gaat zo maar niet.’

‘Is het een groot schip?’

‘Ja, De Voorspoed is een kanjer.’

De naam van het schip was De Voorspoed! Betekende dat niet zoiets als geluk? Als die man niets kwaads in de zin had, als die man hem mee wilde nemen, betekende dat dan niet dat hij zou wegvaren van het ongeluk? Die man moest hem meene­men! Zoveel was zeker!

Ze waren intussen een eind opgeschoten. Hier en daar zaten halfont­kle­de vrouwen achter glas, maar André was teveel verdiept in zijn eigen gedachten om ze op te merken.

Ze stapten een donkerbruine rokerige ruimte binnen. Aan de tafeltjes zaten mannen te kletsen. Aan de bar hingen schaars geklede vrouwen, die naar jongens in matrozen­pakken glimlach­ten. Als André zou varen, zou hij dan ook meisjes om zich heen hebben?

Het Groot Kerstverhaal, Willem Vreeswijk, tekening 4, Huub LaurUit de jukebox klonk een zwoele vrouwenstem die zong in een vreemde taal. Ze namen plaats aan een tafel. Een vrouw in bar­schort en een strak gespannen blouse kwam op ze af. Sjors bestelde een Oude Kabouter en een Cola voor de jongeheer. André probeerde te kijken of hij al heel wat van de wereld had gezien. De barjuffrouw lachte echter te vriendelijk, te moeder­lijk naar hem, en vroeg: ‘Waar heb je die hummel vandaan, Sjors?’ André bestudeerde het tafel­kleed.

Sjors boog zich naar hem toe.

‘Zeg, kom, vertel nu maar eens aan ome Sjors wat er aan de hand is.’

André begon zijn verhaal te vertellen. Hoe hij altijd getreiterd werd, geslagen, dat hij nooit iets mocht, en dat hij vele uren in een vochtige kelder had doorge­bracht, waar spinnen en ratten over zijn blote huid liepen, waar hij altijd met longontsteking weer werd uitgehaald, want het kon er best koud zijn in de winter, zodat de dokter eens had gezegd dat zijn ouders beesten waren, die eigenlijk voorgoed moesten worden wegge­borgen. Hij was ontsnapt door een luik. Nooit zou hij terug­gaan! Nooit! Dan nog liever dood! En zijn broertje! Die richtte allerlei clubs op, speciaal om hem te treiteren. Ze bonden hem vast boven een wespen­nest of hingen hem aan een touw over de dakrand van een hoge flat. André moest huilen van verdriet.

Nog nooit had iemand zo lang naar hem geluisterd. Sjors rookte de ene Lucky Strike na de andere. Er volgde een diepe stilte. Toen André bleef huilen, zei Sjors ten slotte:

‘Je zei dat je zestien was, hè. Nou, dan zit er mis­schien niets anders op. Kijk, ik ben dus kapitein, en dan kun je altijd wel een extra mannetje gebruiken. Als hulpje natuurlijk, dus rechten heb je niet. Kijk, ik kan vanavond nog een brief naar je ouders schrijven. Het lijkt me dat ze wel blij zullen zijn jou een tijdje niet te zien. Om precies te zijn: drie maanden. Als je goed bevalt, kun je misschien langer blijven. De eerste reis verdien je niets en werk je je te pletter. Dat is geen lolletje. En als je denkt dat het avontuurlijk is, heb je het mis. Er is niets zo saai als drie maanden op zee.’

André bleef droevig kijken, maar dat kostte hem de grootste moeite. Há, die Sjors neemt mij mee, jubelde hij. Hij zei dat hij bereid was heel hard te werken, maar dat hij niets bij zich had. Zelfs geen pyjama.

Daar zorgde Sjors voor. De volgende morgen vertrokken ze in alle vroegte.

Die nacht deden André’s ouders geen oog dicht. De politie werd gebeld en de hele nacht hadden zijn ouders in de regen lopen zoeken.

‘Jij slaat die jongen ook altijd zo hard.’

‘Ga slapen verdomme, dat eeuwige gezeur.’

De volgende morgen zaten zijn ouders met rode ogen van de slaap koffie te drinken. Pas nu werd Elmer wakker. Voorzichtig vertelden zijn ouders het vreselijke nieuws.

‘Opgeruimd staat netjes,’ zei Elmer.

De post bracht een brief.

‘Wees gerust. André maakt het opperbest. Gisterenavond trof ik hem wanhopig aan en uren hebben we gepraat. Naar mijn eigen inzicht en dat van de jongen, lijkt het mij beter dat hij een tijdje niet thuiskomt. Hij gaat met mij mee naar Rio de Janeiro, als lichtma­troos. Er zal goed voor hem gezorgd worden. Over drie maanden krijgt u een nieuwe André thuis. Als u stappen wilt ondernemen, licht ik op mijn beurt de kinderbe­scherming in. Een kind in de kelder, dat is verbo­den. De keuze is aanHet Groot Kerstverhaal, Willem Vreeswijk, tekening 5, Huub Laur u. Is onderte­kend: Sjors van der Vaart, kapitein van De Voor­spoed.’

Zijn vader had de brief voorgelezen. Ze besloten de raad van de heer Van der Vaart op te volgen. Voorlopig hadden ze een eter minder.

Drie weken later lazen ze in de krant:

‘Bij zware storm is gisterenavond het Nederlandse vrachtschip De Voorspoed gekapseisd en gezonken. Andere schepen, die het S.O.S. hadden opgevangen, konden door het zware weer weinig uitrichten. Tot op heden zijn er drie stoffelijke over­schotten geborgen. De kans dat er overlevenden zijn wordt vrijwel uitgesloten. De zoekac­ties gaan echter door.’

Eric en de kerstboom

Klaas was opgehouden met lezen. Eric leunde tegen hem aan. Hij wist niet zeker of het verhaal al uit was, maar durfde niets te vragen. Er blonken enige tranen in zijn ogen en ook Klaas keek droevig in de vlammen van de gaskachel. Hij murmelde voor zich uit. Het enige dat Eric kon opvangen was: ‘overdoen’ en ‘anders’. Ergens in de verte sloeg een kerkklok twaalf keer. Dit deed Klaas opschrikken.

‘Wat vond je ervan?’

‘Mooi,’ zei Eric. ‘Anders zou ik toch niet huilen.’

‘Hier dan,’ zei Klaas en gaf hem het handgeschreven boek. Eric pakte het aan en klemde het tussen zijn knieën. Zo bleef hij enige tijd zitten.

‘Ach, onze chocolade is helemaal koud geworden. Nou, moet ik nieuwe maken.’

‘Nee,’ zei Eric, ‘dankuwel. Misschien zijn mijn ouders intussen wakker geworden. Uw ontroerende verhaal heeft me aan het denken gezet.’

Klaas moest dringend aan het werk. Beiden stonden op. Nog altijd regende het, maar Eric merkte het niet meer. Er was niemand op straat. Peinzend liep hij langs de huizen. Lang­zaam maar zeker begon hij te begrijpen wat Klaas met het verhaal bedoelde.

Eric keek overal naar binnen, maar meestal waren de gordij­nen gesloten. Toen kwam hij bij een raam dat op een kier stond. In de donkere kamer stond een verlichte kerstboom. Eric keek om zich heen. Voorzichtig, zonder geluid te maken, schoof hij het raam verder open en kroop naar binnen. De kerstboom had de juiste afmetin­gen; niet te groot, niet al te klein. Hij haalde de stekker uit het stopcon­tact en alle lichtjes doofden. Langzaam pakte hij de spar met al zijn ballen en engelenhaar op, schuifel­de naar het raam en duwde de boom naar buiten. Niemand scheen iets te merken.

Thuisgekomen maakte hij een hoekje van de kamer vrij. Gelukkig waren zijn ouders nog niet wakker. Hij dra­peerde de slingers weer netjes om de boom, haalde de kapotte ballen er uit en stak de stekker in het stop­con­tact: hoera, hij deed het nog! Vol trots keek hij naar zijn mooie boom. Hij zocht een mooi stuk wit papier en schreef daarop in grote rode letters: ‘Vro­lijk Kerstfeest, lieve ouders. Ik hou van jullie en zal nooit weglopen.’ Dit hing hij in de boom.

Nu wekte hij zijn ouders. Al mopperend sloften ze achter hem aan. ‘Wat nou weer!’ en ‘Weet je wel hoe laat het is!’ en ‘Nooit eens rust in dit verdomde kolerehuis!’ In de kamer wees Eric op de boom en zei:

‘Voor jullie! Een kerstboom met van alles er op en er aan!’

Zijn ouders namen hem in de armen en slaakten kreten van ontroe­ring.

‘Wie heeft er verdomme mijn kerstboom gejat,’ klonk het buiten op straat. Het huis trilde op zijn grondvesten. Toen voelde Eric zijn vaders hand in zijn nek. Hij werd opgetild en met de vrije hand begon zijn vader er op los te timmeren. Intussen liet zijn moeder de man binnen. Hij had het spoor van dennenaalden gevolgd.

‘Au,’ schreeuwde Eric, ‘ik deed het voor jullie.’

‘Wie steelt komt in de hel, maar wie op Eerste Kerstdag pikt, zal het nog bezuren,’ schreeuwde zijn vader.

De man van buiten had een rood hoofd en keek met uitpuilen­de ogen naar de mokerslagen die Erics vader uitdeelde.

‘Als u het niet doet, zal ik hem manieren leren,’ tierde hij.

‘Je ziet verdomme toch waar ik mee bezig ben!’

Na enig heen en weer gepraat ging de man weer weg met zijn eigen boom. Eric werd in de vochtige kelder opgesloten.

Het Groot Kerstverhaal, Willem Vreeswijk, tekening 6, Huub LaurStaande op een kistje kon Eric net naar buiten kijken. Nog steeds miezerde het. Zo nu en dan hipten enige musjes voorbij. Was dit dan het feest van de vrede? Was dit wat hij kreeg; stank voor dank? Hij kon nog net de kerkklok zien: tien voor twee. Het was nog lang geen avond. Zachtjes tikte de regen tegen het kelderraam. Niemand op de hele wereld gaf om hem. Niemand! Het enige dat hij had was zijn boek.

Opeens zag hij iemand in de verte naderen. Iemand in rode kleren. Was het Klaas? Ja! Hij was het! Hij droeg een grote juten zak over zijn schouder en hij zat op een slee die werd voortge­trokken door witte honden. Onder de slee waren wieletjes gemonteerd. Vreemd! Eric wuifde en de slee bleef stilstaan. De man met de rode kleren knikte naar hem en zei:

‘Nu ben je treurig, maar denk aan vanmorgen, denk aan het prachtige verhaal dat ik je heb voorgelezen. Denk aan het boek dat ik je gegeven heb, en als dat je niet troost, lees dan eens een ander verhaal over André.’

Eric knikte, al beschaamd dat hij zo’n medelijden had met zichzelf. Toen sleedde de man voort.

En als niemand Eric uit die vochtige kelder heeft gehaald, dan leest hij er nu nog.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>